Zijn beelden zeggen alles!

Het regende gisterochtend. Niet een klein miezertje, maar een flinke loodrechte regen uit een loodgrijze zware lucht. Gunstig voor het verdere verloop van die dag, omdat een buitenlocatie niet langer tot de opties behoorde. De mens wikt en de natuur beschikt. Dat maakt kiezen een stuk eenvoudiger.

Ergens in mijn achterhoofd zweefde een visie op de film Rodin van iemand die dat met ons deelde via twitter. Ze vond het aanbevelenswaardig als je bekend was met de meester en zijn leven, waarbij men niet uit het oog moest verliezen dat het vanuit Rodin zelf beschreven werd en niet vanuit Camille Claudel, zijn maitresse.  De meester in het ‘zonnetje’. Hoogste tijd om de film te gaan zien.

010

De verwachting was hooggespannen. Ik kende vooral het werk van zijn leerling en maitresse Camille Claudel en afgelopen winter was ik naar Groningen getogen om de indrukwekkende expositie te zien van Rodin. Die hakte er evenzeer in als de documentaires over Claudels leven en haar intrieste en schrijnende levensverhaal.

Ik was drie kwartier te vroeg en ik nestelde me met een lekker glas Chenet in het bijna lege café. Met mijn rug tegen de muur in de verste uithoek en het overzicht op alles wat er gebeurde. Het geroezemoes van de drukte buiten schoof door het openstaande bovenlicht naar binnen en af en toe onttrok zich een schrille uithaal of een schaterlach. In het café was een gezin bezig met op te breken. Het jongetje van ongeveer vier jaar oud, had, om de wachttijd te doden, een zangspelletje om de grote middentafel bedacht, waarbij hij dapper voort stapte met zijn gestippelde laarsjes aan en luid een Italiaans liedje zong. De kleine handen ribbelden intussen over de houten spijlen van de ruggen van de stoelen.

Iedere keer keek hij mij, vlak voor hij afboog voor het volgende rondje, met een ontwapenende glimlach aan. Moeder liet luid en duidelijk weten dat hij er mee moest stoppen, omdat ‘de mensen’er last van zouden hebben. Hij wist dat dat meeviel en er volgden nog twee rondjes. Die vrijheid en de blijdschap nam ik mee de stilte van de filmzaal in. Misschien was de tegenstelling te groot. Misschien was het nog te zonnig en licht buiten nu de regen was weggetrokken, maar de film viel als een granieten blok binnen en wikkelde zich, traag als stroop, af.

023

Ik zie Rodin als een gepassioneerd man, ik lees van zijn beelden af dat hij houdt van vormen, rondingen, billen, borsten, torso’s, naakten, maar ook is hij iemand die de subtiliteit en sereniteit niet schuwde, getuige zijn beelden van handen, tot in de finesses volmaakt en de beelden van de Chinese muze. Ik had hem de tijd willen zien verliezen als hij zijn passie vervulde met het hakken en vormen, het kneden en gipsen.

009

Ik had willen zien, hoe hij zich met zijn hele ziel en zaligheid zou storten op zijn schepping, waarbij hij alles om zich heen vergat. Het bleef angstvallig stil en traag, de dialogen en monologen, een vlakke Camille die haar bewondering voor de meester en het opboksen tegen zijn bekendheid en zijn dwingende karakter zonder dat de vonken ervan af spatten, neerzette. Het moet veel tragischer zijn geweest, dan wat ik nu zag.

022

Zijn gevecht om het beeld van Honoré de Balsac en Dantes Hellepoort bracht bij mij niets in beroering. Het bleef hangen in de plooien van de gipsen mantel, die hij om Honoré heen drapeerde, evenals de statische ontmoeting met zijn Chinese model, die dwaas en onvoorstelbaar wordt  neergezet en in niets overeenkomt met de lieflijkheid van haar beeltenis, die ik bewonderde in Groningen.

Buiten wandelde ik peinzend naar de auto, keek om me heen en zag het leven. Precies dat was wat ik had gemist in de film. Waarachig leven, zodat de toeschouwer het meebeleven kon. Rodin, als je hem wilt leren kennen, moet je naar een tentoonstelling van zijn oeuvre. Zijn beelden zeggen me alles, de Rodin van de film vertelt me niets.

Vooralsnog ongrijpbaar!

Ik weet niet waar ik toevallig mijn oog liet vallen op de documentaire ‘Waterlijken’ , een bejubeld debuut van Nelleke Koops uit 2011, maar die kwam behoorlijk binnen. Alleen de titel al vraagt om een verklaring. Het kunnen dode vissen zijn en dode eenden, het zou over botulisme kunnen gaan, maar het gaat over ons, mensen. Natuurlijk weet iedereen wel, dat er bij tijd en wijle iemand wordt opgevist. Vaak vergeten we dat dat door mensenhanden moet gebeuren en dat een heel apparaat daarachter in werking treedt bij de vondst van zo’n ongelukkige. We gaan gemakshalve ook voorbij aan het feit, dat de gebeurtenissen daarna weer worden vervangen door de taal van alledag. De maaltijd, het gezin, het spelen met de kinderen, maar ergens spookt in het achterhoofd altijd het lijk, de geur, de sponzige huid, de verwassen haren.

 Rodin: De denker. ( Wiki)

De documentaire is boeiend en triest tegelijk. Zo’n voltooid leven dat nog niet af is, ook al is het doek definitief gevallen. Het roept bewondering op voor de bergers en de schouwers, de speurders naar de eeuwige waaromvraag met het onvermijdelijke antwoord verstopt in de locatie, het al dan niet geschonden lichaam, de identificatie, de meanderende rivier en die patholoog, die een diepzinnige filosofie in een paar woorden verfijnd neerlegt. Waar gaan gedachten naar toe, als je overleden bent.

Daar peinst hij dus over, als de klus is geklaard en er weer een mens op de baar ligt na een minutieus totaalonderzoek, maar altijd dat ene ongrijpbare. Waar zijn zijn of haar gedachten heen. Vroeger dacht ik dat ze weg konden vliegen in de wind, als vogels in een vrije val, omhoog stijgend en neerduikend en wederom omhoog. Werken met de dood roept dit soort vragen op. Ik weet het want ik heb die man met de zeis regelmatig zien rondwaren om de bedden heen en zelfs gevoeld. Een koude windvlaag die optrok.

 Gravure door Reinier van Persijn: Zwanenzang (Wiki)

Altijd is er een kleine opleving van een stervende, een oprichten, een blik, die helder is en klaar, vanuit de lethargie van het berusten, om na een paar seconden maar, weer terug te vallen in de status quo en niet lang daarna de laatste adem uit te blazen.  Een zwanenzang. Dat maakt dat je aan het peinzen slaat over waar de geest heen is. Omdat er lijntjes zijn, of omdat je die er zo graag in zou willen zien. Omdat je van te voren al niet kan accepteren dat iets afgelopen is als met die oorverdovende stilte het doek valt en met een zucht de ademhaling stopt. Einde verhaal, geen volgend hoofdstuk meer.

https://www.2doc.nl/documentaires/series/2doc/2014/februari/waterlijken.html

Definitiever haast, omdat je de persoon in kwestie niet meer in leven hebt meegemaakt, is het werk van de patholoog-anatoom, die elke vezel van het lijf angstvallig naspeurt op oneffenheden, die het stoffelijke benadrukken zal. Hij kent de corpus van de hoed en de rand, elke cel en elke molecule en toch is er die ongrijpbare andere wereld. Gedachten, die boven adrenaline en endorfine uitstijgen, die amorf en licht zijn, zonder body.

Waar is het karakter heen, de spirit. Is de levensbagage voldoende doorgegeven of ligt ze op straat, letterlijk en figuurlijk. In het uur van de dood vraagt het om waarachtigheid, antwoorden op vragen die blijven hangen in de geloken ogen en boven de baar. ‘De dood is altijd op tijd’, orakelt men en refereert aan de Tuinman en zijn ontmoeting met de Dood in Isfahan.

Als robots in staat zijn om een eigen taal te ontwikkelen, dan moeten gedachten ook hun eigen weg kunnen gaan. De patholoog-anatoom peinst zijn eigen gedachten, die van het waterlijk zijn verdwenen. Waar gaan ze naar toe. Er moet meer zijn dan de metelijke en onmetelijke stoffen en stofjes, waar hij in roert. Het is de identiteit van de geest, een entiteit van het leven, de blauwdruk van de gedachten, maar vooralsnog ongrijpbaar.

Zoals zij zelf!

Als ik dit schrijf, is de vrouw die me mijn allerbelangrijkste les in het leven geleerd heeft, vast van plan om niet langer meer te leven. Ze is 91 en ‘der dagen moe’ zoals mijn oma dat zo mooi placht te zeggen. Ze eet niet meer en drinkt niet meer en uit ervaring weet ik dat het dan zolang gaat duren, als het hart het volhoudt. Ze is in goede handen en ligt in een ziekenkamer met haar dierbare vertrouwde hebbedingetjes om haar heen en haar familie in de buurt. Ik heb gisteren een foto van haar gezien en ze lijkt het meest op een zichtbaar vermoeid klein vogeltje. De ogen gesloten, diep weggedoken in haar plaid op een chaise longue. Het kleine, vergrijzende donkere krullekoppie, er bovenuit. Haar gezicht draagt reeds de sporen van een ander leven. Ze is er af en toe nog en glijdt steeds verder weg in haar lethargische zaligheid. Alleen de pijn maakt wakker en heel soms een herinnering.

Mijn eerste ontmoeting : Een kleine kwieke vrouw met een aparte intonatie in haar stem dat nog vaag haar Surinaamse roots verried, vol verhalen en beelden op haar netvlies. Ze zat in de tuin bij een goede vriend het feest mee te vieren, dat daar gegeven werd. Er was geprietpraat onderling, gelach,, kinderstemmen die boven het geroezemoes uit vlogen, geplons van water in de sloot. Er werd wijn geschonken en naarmate de decibellen luider werden, de gezichten roder, de stemmen onvaster, viel ze me op. Daar zat ze als een rots inde branding en luisterde als enige echt, terwijl haar vriendelijke kleine ogen alles, wat er om haar heen gebeurde, opnamen en vastlegden. Dat was wat ik zag.

A party in the open air, Isaac Oliver, 1590-1595. (wiki)

Ik raakte met haar aan de praat en ze had het over haar leven, een tip van de sluier, haar kleindochter en haar vader, haar jeugd dat in verschillende landen een deel van haar fantasie had gevoed, Spanje, Nederland, Mexico. Door haar gesticulerende handen, de gloed in haar ogen en de levendige mimiek ontspon zich een andere wereld voor mijn ogen. Ze schreef, schilderde en illustreerde. ‘Hier zat een dame van formaat’, bedacht ik me, ‘die zichzelf was gebleven en iedereen met open armen ontving’. Haar verhalen waren geestig en ze speelde met het grootste gemak in op de humor van de oude vriend, die met kwinkslagen door het leven ging en zijn bonte vriendenrij hartelijk verwelkomde in zijn paradijs aan de lange tafel. Er was eten en wijn, er waren goed gevulde potten en volle glazen, de zon brandde en de guirlandes van dit leven van melk en honing waarden rond. Een feest in alle opzichten.

De tocht met de ezeltjes: We waren in de Ardennen met een schildersclub. Tot dan toe had ik nog nooit echt geschilderd en ik begon voorzichtig met tekenen in een schetsboek. Zij zaten allen in en om het huis met indrukwekkende doeken en potten verf. De maaltijden werden door een echte kok verzorgd, die wel wat weg had van de kok van de Muppets, die fuzzelde en voerde, lepelde en roerde. Tussendoor waren er wandelingen, anekdotes, liedjes, een groot stripverhaal over twee ganzen, die ter plekke verzonnen en letterlijk opgetekend werd op grote vellen. Hilarische soorten werden verzonnen, omdat in het huis de oubollige ganzen overal terugkwamen.

Foto Wiki, twee Catelaanse ezels.

Er was een wandeling gepland. De rest van de groep, fier van lijf en leden stapte voort. Ik bleef bij haar, omdat haar gekozen woorden de verhalen diep van binnen een bodem gaven. Aan de andere kant maakte ze de Pleegzuster Bloedwijn in me wakker, omdat ze voetje voor voetje schuifelde met haar lappen en lapjes over arm en schouder en grote hoed, zwaar leunend op een oude tak. De kleine voeten in de sokken en sandalen stapten omzichtig voort. Voetje voor voetje voorbij twee kleine ezels, waar een heel gesprek mee werd gevoerd, zodat de dames, welwillend en vriendelijk, antwoordden met een langgerekt gebalk, de berg op, het bos in, langs het kleine kapelletje, waar we even tot bezinning kwamen en ook de gelegenheid te baat namen om te rusten. Daar werd een band gesmeed, die tot in lengte der dagen is gebleven, ook al vertrok ze uit mijn leven door omstandigheden.

IMG_9386.jpgEen kapelletje als deze in Niort.

Daar vertelde ze wat haar vader haar had meegegeven een geheim dat ik van haar in mijn levenskoker mocht stoppen: ‘Oordeel niet, verwonder je slechts’. En echt… Het helpt de wereld mooier kleuren, zoals zij zelf. In haar eenvoud en met haar liefde voor het leven.

Net als de verf kies ik mijn eigen weg!

Gisteren was ik bij museum Voorlinden om de tentoonstelling van Rodney Graham te zien. Zijn enorme foto’s zijn grote etalages waar de tijd heeft stil gestaan en die oneindig veel meer vertellen als je er in kon of mocht verdwijnen, Dat is het enige wat ik mis aan die heerlijke ruimtes daar. De bankjes in het midden, waar je over kan gaan tot verstilling. Tot even verdwijnen uit de menigte van omstanders om rond te wandelen in het beeld, dé manier om je er mee te verenigen. Dwalen in de grote foto’s, tegenover de bezoeker zitten in een café, dat vol hangt met kunst en bewonderen, of voor de dichtgeplakte etalage van Woolworth dralen op een been en tegelijkertijd weten dat de oorlog woedt over zee. Dat idee.

099

herinnering: In de boekenkast stonden boeken van Godfried Bomans, naast de grote natuurgidsen van Jac.P. Thijssen, de serie ‘Het aanzien van…’,Piggelmee, Alleen op de wereld en Gullivers reizen, temidden van enkele naslagwerken en de rode kleine volledige schoolencyclopedie. mijn moeder had er een aantal geërfd en de rest op de kop getikt bij de Slegte of andere tweedehands boekenwinkels voor een appel en een ei. Wie niet rijk is moet slim zijn. Er stonden ook enkele pockets tussen van Guido Gezelle bijvoorbeeld en Eric of het klein insectenboek van Godfried.

Als de biebboeken waren doorgestruind, vervolgde ik mijn weg in de kast. Zo werd ik samen met Erik door grootmoeder het schilderij ‘De wollewei’ ingetrokken. Niets is fijner dan een wereld te ontdekken, die tot dan toe maar voor een klein deel de jouwe was en een te worden met de diverse karakters van de dieren die de Wollewei bevolkten,  de wespenfamilie van Vliesvleugel leren kennen, die adellijk blijkt te zijn en die ik tot dan toe alleen maar verschrikkelijk vervelende treiteraars had gevonden, de mieren, de hommel, de vlinder.

Het reizen per boek staat gelijk aan het reizen per beeld. Telkens weer liet ik me, als kind,  meeslepen door de karakters en radeloos hoorde ik dat eisende vrouwtje bij de Keulse Pot aan, terwijl ik mijn hoofd schudde en Piggelmee waarschuwde vooral weer niet naar de vis te gaan. Steeds opnieuw-en het dunne boekje was bijna stuk gelezen-sloeg hij de goede raad in de wind. Ik bedacht er hoofdstukken bij, waar het verloop een totaal andere wending zou hebben. Het mocht niet baten. ‘Hoogmoed komt voor de val’.

Met Remy in ‘Alleen op de wereld’ heb ik gehuild en gelachen, me verweesd en verlaten gevoeld en de blijdschap gedronken toen de Zwaan eindelijk zijn weg kruiste en hij Mevrouw Milligan en Lise ontmoette. Er zijn vele boekreizen bij gekomen. Het rijke leven.

Later verzon ik projecten waarbij de kinderen dezelfde ervaring zouden hebben als ik vroeger en de wereld rijker werd met een zelf verzonnen verhaal eraan vast of het bedenken van een andere wending. En toen….en toen….en toen….Literatuur pur sang voor onderbouwers, maar ook ademloos kijken naar een schilderij en bedenken hoe het zou zijn als je er in verdwijnen kon. ‘Wat zie je? Wie zou je willen zijn? Wat zou er kunnen gebeuren?’ Vragen die ik nog steeds aan mezelf stel als ik voor een prachtig doek sta. Wegzinken in gepeins, je mee laten voeren op de golven van de beleving en de sfeer voelen die rechtstreeks, door de blik heen, het hart beroert.

Rodney Graham en zijn enorme installaties, foto’s, om in te verdwijnen,  waar de tijd stil staat in de kombuis, de ketel stomend wordt opgepakt en de kop gevuld wordt met warm water voor de thee of de oploskoffie en in het atelier de dripping points, van de kunstenaar afglijden, als hij het doek in schuine stand heeft gezet en de verf haar vrijheid krijgt. Zoals ik ervoor…nee…erin….of toch er voor maar, vrij in het verhaal, mijn gang mag gaan. Net als de verf kies ik mijn eigen weg.

Er is!

Gisteren zag ik op Netflix de documentaire The Witness. Eenmaal binnengekomen, laat het verhaal niet los. Er blijven flarden rondspoken. Het gaat over de moord in 1964 op Kitty Genovese te New York. Ze was 28 jaar oud.  Haar dood werd wereldnieuws omdat een journalist van de New York Times er een artikel over schreef. Er zouden 38 getuigen zijn geweest, die alles hadden gehoord en gezien, maar langer dan een half uur niet hadden ingegrepen. Haar moordenaar, Winston Moseley,  kreeg ruim een half uur de tijd om in twee fasen de moord en de verkrachting te klaren. De journalist maakte er een sociaal cultureel probleem van en verdraaide, naar later bewezen werd, de feiten, om te prediken dat Amerika en met name de grote steden de voedingsbodem bij uitstek zouden zijn voor het ‘bystandereffect’. Wij zouden zeggen:’Ik stond erbij en ik keek er naar’.

KittyGenovese.JPGKitty genovese.

Bill Genovese was gek op zijn zus. Hij  had moeite met het idee, dat 38 mensen  stoïcijns weg hadden gekeken tijdens het noodweer en het geschreeuw om hulp. Om zichzelf het tegendeel te bewijzen, meldde hij zich bij de marine en werd naar Vietnam uitgezonden. Daar verloor hij beide benen door een mijn en werd hij door een vriend uit de rijstvelden getrokken. Bijna ten kostte van zijn leven werd het tegendeel bewezen. Om het hele verhaal een plek te kunnen geven, moest hij op onderzoek uit. We volgen hem in de documentaire en zien dat zijn intuïtie hem niet in de steek gelaten had.

Duidelijk wordt in het hele stuk, dat een verhaal nooit de werkelijkheid is. Het is altijd de belichting van de persoon die het vertelt. Feitelijke onwaarheden, die van essentieel belang zijn, het achterhouden of verdraaien ter meerdere eer en glorie van een goed verhaal, is van een andere orde. Bijna iedereen, ook journalisten van de andere kranten, twijfelden aan het verhaal. Omdat het echter de gerenommeerde A. M. Rosenthal was, ging men er in mee. Na een onderzoek van elf jaar kon Bill vijftig jaar later beginnen met de verwerking van de moord op zijn zus en rechtvaardigde daarmee zijn keuze voor Vietnam en het verlies van beide benen.

De moord zelf was al aanleiding genoeg om de levens van alle betrokkenen voorgoed te veranderen, maar het gevolg ervan zorgde ervoor, dat haar familie schrijnend herinnert bleef worden aan die nacht in New York.  Niet uit piëteit voor Kitty maar om het ‘bystandereffect’ ,veroorzaakt door het vermeende gedrag van de omstanders, waarbij de moord telkenmale als voorbeeld werd aangehaald.

Door het onderzoek kwam Bill er pas jaren later achter dat zijn zus in de armen van haar buurvrouw stierf. Alleen al die wetenschap had een totaal andere wending aan het leven van hem, zijn vader, moeder en broers gegeven. In de documentaire wordt pijnlijk duidelijk dat toegeschreven roem tegen wil en dank verstrekkende gevolgen kan hebben. Bill gaat de confrontatie aan met de zoon van de moordenaar, omdat diens vader weigerde. De zoon vertelde altijd gewaarschuwd te zijn geweest voor die beruchte misdadige Genovese-familie, een doekje voor het bloeden om de heftige impact, een vader als koelbloedige moordenaar en verkrachter, met de mantel der liefde te bedekken.

http://hazlitt.net/feature/darn-story-just-didnt-go-away-interview-bill-genovese-and-james-solomon

Beiden hebben al die tijd in een verdraaide werkelijkheid geleefd. Er valt nog veel over te peinzen. Puzzelstukken, die passen of wringen, flarden die op komen zetten of weg zeilen, de indringende beelden die erbij horen. Bill heeft na elf jaar eindelijk een hoofdstuk van het verleden kunnen sluiten en kunnen werken aan een nieuw leven, los van het stigma, los van de vragen, die Kitty hem als jonger broertje heeft geleerd te stellen. Er is geen waarom. Er is.

 

Nanananana!

Er gaat niets boven een potje raggen in de tuin. Ik weet dat ik één bed tegelijk moet doen en dan de rust weer in acht nemen, maar op de een of andere manier schakelt mijn geest over op de automatische piloot en sjouw en sjor ik achter elkaar door. Nu is tuin ook wel de perfecte plek om ziel en zaligheid te vergeten met het aanwassende werk iedere keer weer.

Hardnekkige kruipers als hondsdraf en bosaardbei groeien niet aflatend door en knevelen elke plant op hun pad. Het middenstuk heb ik aardig bezegeld door er een andere kruiper tegen aan te gooien, de heerlijk geurende lieve vrouwe bedstro met haar prachtige witte bloemetjes in het voorjaar en met lage maagdenpalm die makkelijk op hun plek te houden zijn. Ik begin bij de fruitbomen en graas de grond af. Vooral de hondsdraf is hardnekkig. Ik ontdek dat de kleine geniepigerds zelfs mijn Japanse anemonen aan het belagen zijn geweest en ook de geranium te grazen nemen. De groei blijft staken in een treurige pierigheid. Phlox verheft zich trots en ademt wilskracht om het lijfbehoud. Ik jaag voort. Het leverkruid moet eruit. De springbalsemienen mogen op één te overziene plek blijven. De braam haar loze takken moeten gesnoeid. Daar groeit dit jaar niets meer aan. Waar is het vingerhoedskruid gebleven? De prachtige lupine is gesneuveld aan luis.

Hypericum perforatumHertshooi.

De hibiscus bloeit weer prachtig, maar moet in luister hersteld worden, door wat bonte kornoelje weg te knippen. Ze ruist tevreden met haar takken en rekt zich nog wat meer uit. Een andere wildloper is de hertshooi. Ze bloeit nauwelijks, waar ze nu staat en strekt haar lange vingers waar kleine nieuwe struiken beginnen. Indammen dus en ik bedenk me, tijdens het grissen door, dat ik die gekregen heb van iemand die hem zelf niet meer in de tuin wilde. Ik weet nu waarom en maak er een leerpunt van. Als iemand planten wil doorgeven, omdat ze niet meer gewenst zijn in een tuin, vraag dan even naar de reden. Negen van de tien keer zijn het woekeraars en bezorgen ze je een mijl op zeven aan werk. ‘Bezint eer gij begint’, hoor ik het verleden fluisteren.

Er bloeit nog een exemplaar in mijn tuin, paarse bloemetjes, afgeplatte steel. Normaal weet ik haar bij naam te noemen, maar het heldere denkvermogen is wat beneveld door de overdaad aan arbeid van gisteren. Die groeit echt tegen de klippen op, net als de geurende munt, die zich er doorheen strengelt. Potten zoeken en apart houden is het devies. De groene muntkevers krijg ik er gratis bij. De arme schoenlapper is aan het zieltogen en moet verhuizen naar een wat zonniger stek.

009.JPG

Zo ploeter ik voort en achter mij liggen overal waar ik grasduin, bergen onkruid. Dat is het nadeel, als je geen tijd hebt om het goed bij te houden, maar de komende weken zal dat beter gaan. Ik laat het wat versterven op de tegels, omdat het snel slinkt en daarna makkelijk te composteren valt, maar dan moet ik eerst de uit de hand gelopen compostberg van mij en de buurman aanpakken, want die is veel te hoog en ringslang is verhuisd naar een meer beschutte plek.

Clematis en roos zijn uitgebloeid en de kamperfoelie ook. Oude rozen eruit en wachten op de tweede bloei, rozentakken in de vuurkorf laten versterven. Als ik na vijf uur hard werken naar de auto loop, doet alles me zeer en heb ik even tijd nodig om rust in de aderen te kweken. De endorfine jaagt door het vege lijf, laat aderen zwellen en  handen verkrampen, de vermoeidheid slaat toe als ik rozig in de lediggang duik.

Vrouwelijke goudoogdaas (Crysops relictus)Daas.

De allergrootste plaaggeest die rondwaart in mijn tuin is de daas. Die zweeft hardnekkig om je heen, tot je het niet in de gaten hebt en dan het liefst in een bezweette nek of in de holte van de knie prikt. Ik zwaai, net als de paarden hun staarten, met mijn armen en maai over en langs hem heen. Hij trekt zich er niets van aan. Verbeeld ik het me nou of zoemt ie zachtjes: Nanananana!

Nog even nergens anders!

Het verhaal was al bijna afgerond en klaar toen ik het selecteerde en knipte. Daarna heb ik het opgeslagen in Word. Het was te persoonlijk, omdat het een beschrijving van een ander zijn leven betrof. Het was een sterk verhaal geworden. Schrijnend maar mooi. Alleen, nog niet geschikt voor publicatie.

Ooit las ik dat je als schrijver ‘sans scrupules’ moet kunnen zijn. Dat vergt nogal wat. Ik besefte bij het schrijven steeds heftiger de impact die het op dat speciale  leven zou kunnen hebben. Het had een stigma kunnen worden, dat voor de rest van het leven zou schuren. Kan ik dat een ander aandoen. Mijn hele schrijvende leven lang ben ik aan het proberen om mijn verhalen te vullen met ‘onherkenbaar’ bekende onderwerpen. Dat is misschien ook wel, waar ik me op toespits. Algemene situaties en mijn eigen persoonlijke beleving komen ruim aan bod. Daar kies ik zelf voor, maar een beklemmende situatie of de grief van een ander verwoorden is van een andere orde.

009

Zodra ik het boek van een gemeenschappelijke kennis lees, die over een gedeelde wereld uit het verleden schrijft, speur ik naar herkenningspunten van een vriendin die daar in voor moet komen. Maar zij is overleden. Dan biedt het troost of soelaas. Bij weer een andere bekende zoek ik hetzelfde. Ook daar biedt het eerder steun. Over de doden niets dan goeds is bij beiden bewaarheid, maar er viel ook geen kwaad woord over te spreken.

014

Met een vriendin bespreek ik die gevoeligheid. Het is makkelijker om over iemand te schrijven als die persoon is overleden. Je kan de al te scherpe kanten milder maken of verzachten. Zelfs voor kinderen of kindskinderen kan een stempel doorwerken. Dat heb ik wel gemerkt bij het uitschrijven van de dagboeken van mijn moeder. daar zaten een handvol passages tussen, waarbij de emotie het had gewonnen van de ratio en die misschien heel anders uitgelegd konden worden als het zwart op wit te lezen stond. Wat is de meerwaarde van een vertekend beeld en daarmee van een gekwetst gevoel, als het niet meer te verhalen valt op de persoon zelf of als het door het tijdsbeeld vervaagde contouren heeft gekregen.

Ooit, jaren geleden, bij een van de eerste blogs, schreef ik over het al dan niet verbergen van kanker voor de omgeving en mijn optiek was, dat ik dat niet eerlijk vond ten opzichte van de achterblijvers. Daarop kreeg ik een schrijven van een nabestaande die iets dergelijks overkomen was en juist in volle bewondering terugdacht aan deze vrouw, omdat ze haar naasten het leed had willen besparen en daar alles voor over had. Er leiden altijd meerdere wegen naar Rome.

029

Het is mijn eigen ongeschreven wet om er rekening mee te houden, waarmee ik het me soms moeilijker maak. De vraag, die zich uitkristalliseerde toen ik dat eerste verhaal aan het schrijven was, ga ik aan de vriend in kwestie stellen. Daar heeft hij recht op. Pas als mijn visie klopt, kan ik aan de verwerking beginnen. Dan weet ik of het juiste licht op de situatie heeft geschenen en kan ik mijn bezorgdheid rechtstreeks neerleggen waar het behoort te zijn en nog even nergens anders.