Alle tijd van de wereld!

Ik had een onrustige droom vanmorgen. Om vijf uur was ik even wakker geweest en omdat het nog steeds vakantie is, had ik me nog even omgedraaid. Daarom weet ik dat de droom zich in de ochtend pas aandiende. Ik werkte bij het Flexkantoor en er was nog geen werk maar Joris(?) zo heette degene, die me begeleidde, had me wel alvast een observatie van een man in het vooruitzicht gesteld in Zuilen, op deze ochtend. Omdat ik weer in slaap gevallen was en verder droomde, (een droom in een droom), was ik het weer kwijt en hij belde me wakker met een glimlach en een zacht verwijt dat ik iets vergeten was. 

Omstandig verontschuldigde ik me en beloofde me te haasten. Hij had nog niet neergelegd en ik zat steunend op mijn bed de slaap uit mijn ogen te dromen of er klopte vaag een andere afspraak tegen de binnenkant van mijn geheugen. Verdraaid. Ik moest al naar iemand toe, dat had ik heel lang geleden beloofd. Hoe kon ik zo dom zijn. Joris weer gebeld en me in honderd bochten gewrongen om de stommiteit waarachtig aan de man te brengen. Het verwijt klonk door bij het daadwerkelijke wakker worden en nog lig ik me af te vragen, wat ik eigenlijk aan het vergeten ben.

001

Het vege lijf begint dus al iets van de adrenaline aan te maken die bij werk en gerelateerde vormen hoort. Stress ligt op de loer. Ik heb me voorgenomen om deze nieuwe baan zo laconiek mogelijk op te vatten en me niet gek te laten tikken door eventuele werkdruk in het kader van de organisatorische beslommeringen. Hoe halen die twee hersenhelften in mijn hoofd dan eruit dat het bijna tijd is om stresscellen aan te maken. Hoort het bij het pakket van de overlevingscultuur. ‘Ik werk dus ik stress, ik stress dus ik handel, ik handel dus ik werk, ik werk dus ik stress’.

Mijn eigen verfoeide vicieuze cirkel. Je kan je zelf zo gek tikken, als je wilt. Ik heb er per slot van rekening al een hele week extra vakantiebonus opzitten. Ja, U leest het goed. In deze week, dat de schoolvakantie gewoon nog een vrije uitloop heeft van een week, gaan al die dapperen onder ons, de leerkrachten met een vaste baan in het basisonderwijs, vrijwillig naar school om er de hele week te buffelen en te ploeteren. Er zijn zelfs twee of drie verplichte vergader-en/of studiedagen bij.

013

De hele week wordt er uitgeruimd, ingeruimd, geschoven, worden er hoeken gemaakt, schriften klaargelegd, namen geschreven, de groepsmappen op orde gemaakt, de leerling-volg systemen nagekeken, de overdrachten gelezen. De groepen worden nog eens geboend en gepoetst, frontjes van laden met gekleurd karton beplakt, hier en daar een likje verf gegeven, een frisse poster of een voile extra opgehangen.  Als finishing touch de gangen het speellokaal, de kapstokken, de aula’s in stelling gebracht en dat alles om maandag de lieve schatjes weer met open armen een frisse start te bezorgen. Let wel, dit is geheel onbezoldigd inleveren van vakantietijd.

Frustrerend is alleen dat in deze week van bikkelen, en dat is het echt, alle heerlijke vakantiegevoelens, de opgebouwde weerstand, de positieve energie tot het nulpunt dalen omdat het een stressen blijft tegen de tijd. Ieder jaar zeiden we weer tegen elkaar dat we het het jaar erop anders zouden moeten doen, maar steeds blijft men hangen in hetzelfde patroon.

086Mijn geweten…

Ik heb nog vakantie. Mij wekt slechts een ochtenddroom de indruk dat ik aan het werk zou moeten gaan, een schuldbewust geweten misschien in solidariteit met mijn ploeterende collega’s. Het zorgde ervoor, dat ik elke ochtend van deze week tot nu toe ontwaakt ben met een heerlijk luxe gevoel. Gisteren had ik er dertig jaar onderwijs opzitten, na twaalf verpleegkundige jaren en nog wat moederschap. Het voelt als luxe, maar is het niet gewoon mijn goed recht? Nu nog één jaar invallen en dan valt het doek. Met verhalen voor een leven en hopelijk alle tijd van de wereld om ze te laten schitteren. .

Er gaat een wereld voor je open!

Het schilderij is De Waspit, de schilder is Breitner, die het meisje gestalte gaf in 1893, de schouwer ben ik, de sfeer is bijna gewijd met het gedempte licht, de locatie is een zaaltje in het gemeentemuseum Den Haag.

De workshop heet kijken, schrijven en beleven en de opdracht is dat je een schilderij uitzoekt dat je raakt, om daar wat subversieve vragen over te beantwoorden. Het heeft zo moeten zijn dat ik tussen de, door mij zo bewonderde, tachtigers loop. Israëls en Breitner dansen door mijn schildersleven met hun lichte toets en hun voorliefde voor het leven in alle facetten, omdat alles schoonheid in zich draagt, als je het maar onderkent en benoemt.

090George Hendrik Breitner: De Waspit. 1893.

Wat is een waspit! Tijdens speurtochten komt een staafje bovendrijven, een pit van was, voor in de kaars, niet meer dan dat. Dat is niet de betekenis die Breitner eraan geeft. Dus teken ik in mijn hoofd mijn eigen invulling van het onbekende woord aan de hand van het schilderij. Een meisje met de handen rood van het boenen, het schrobben, het wassen, het wringen en het spoelen. Ze dampen nog na als ze de was aan de lange lijnen in de pijpenla van de stadse tuin hangt of het witte linnen spreidt op de bleek, het weitje in de zon naast het huis, waar de witte was helder en fris droogt. Daar kon het zakje blauw van later niet tegenop.

 schrijven waspit

Ik nestel me met het nieuw verworven opschrijfboekje voor het schilderij en neem elk detail in me op, de voeten, de (baaien) rokken met de witte schort, de handen krampachtig er omheen geklemd, opgeheven, letterlijk opgeschort, het rozerode jac en de donkerrode halsdoek. In haar linkeroor een oorbel,die bijna frivool afsteekt tegen de sobere werkkleding. De haren zijn omhoog gestoken in een strenge knot. Haar blik is naar beneden gericht. De mouwen van haar jac zijn iets omhoog geschoven.

161 (2)

In haar hoofd is ze al voorbij het witte huis met de gepleisterde muren en de donkere ramen.  Ze gunt zich de tijd niet om zich te bezinnen maar is duidelijk onderweg naar een volgende handeling en levert een race tegen de klok. De blos op haar wangen verraadt de haast. Ze doet een poging om de tijd in te halen.

“Bleekveld in een dorp”, door Jan Brueghel de Jonge

Een van de vragen is om je te verplaatsen in een figuur op het schilderij. Ik laat het gebeuren en smelt samen met de beeltenis en schrijf het uit: ‘Hallo. Ik ben Aagje. Ik ben de dochter van Henrikus en Margje. Mijn vader is keuterboer. Ik ben 20 jaaar oud en woon in het dorp bij een familie, die een grote wasplaats bezit. Ik ben waspit en ook de dienstmeid van het gezin. Het is hard werken. Ik heb geen man en ook geen kinderen, maar Jochem zie ik graag.’

163

Dan volgt er een vraag om Aagje te interviewen. Ze blijft staan, wrijft met haar handen de schort recht en steekt van wal. Aagje vertelt me dat ze al zo lang als ze zich kan herinneren bij de familie in het dorp is, er was geen mond meer te voeden met de dertien oudere broers en zussen. Ze werd doorgegeven. Ze was het nakomertje en er was niet meer gerekend op nog een kostenpost. Ze mist haar familie niet. Op zondag gaat ze na de kerk naar de boerderij, drinkt een kop koffie, houdt een beleefdheidspraatje en vertrekt. Maar straks, en haar ogen worden zacht, krijgen glans, gaat ze met Jochem trouwen, die de winkel van zijn vader overneemt. Dan wordt ze kruideniersvrouw. Wel zal ze de andere waspitten missen. Dat zijn haar ‘zussen’meer dan haar eigen zijn. Op dat moment tikt mijn coach me op de schouder en val ik terug in mijn tijd.

Zo snel gaat dat dus. De volle focus op de beeltenis, bezinning en de verdieping en openstaan voor de ontmoeting. Op die manier kom je het museum nooit meer uit. Het is een rijke ervaring. Zet een andere bril op en duik in het schilderij,. Er gaat een wereld voor je open.

 

Het onvolprezen kinderboek!

Al sinds ik kon lezen ben ik een lettervreter. Zo noemden ze de mensen die urenlang in een boek konden verdwijnen om dan een beetje wereldvreemd eruit op te duiken. Zo’n boek las je onder de tafel achter de veiligheid van het rode pluche, dat je aan het oog onttrok van theeënde visite of in bed met een kleine zaklamp onder de dekens, omdat broerlief om de haverklap het licht van de zolder uit deed. ‘Ga slapen’ klonk het dan door de verstilde nacht.

009

Op de K.L.O.S leerde ik Paul van Ostaijen kennen. Dat was dankzij een of ander cabaretstuk over de Singer naaimachine. De uitvoerende theatergroep ben ik kwijtgeraakt maar het stuk is me altijd bijgebleven. Hoe je de letters, woorden en klanken breien kan tot een comfortabel pak, dat iedereen past. ‘De singernaaimachine, de si si si singernaaimachine’ en zocht ik naar de bundels en alle informatie die ik krijgen kon over deze grootheid in de kunst van Letter, Woord en Klank. Dat was destijds geen sinecure, want daar moest ik heel wat bibliotheken voor afstruinen, omdat het niet tot de standaarduitrusting behoorde.

Eenmaal eindelijk in het bezit van De Bezette Stad vond ik rust. Hier had ik de schoonheid van het woord onder handbereik. Heel veel jaren later was er een verzamelbundel van Ostaijen. Zijn kinderboek: ‘Marc begroet ‘s morgens de dingen’ is een van die geheimen, die rechtstreeks de harten van de kinderen in huppelt. Daar een ochtend mee beginnen in de groep en de dag kan niet meer stuk. Het is de kunst om de juiste verbinding te leggen.

Er zijn nog twee grootmeesters van woord en vorm. Dat zijn de Amerikaanse grafisch ontwerper Paul Rand en Ann Rand, zijn vrouw. Ze gaven een reeks van vier kinderboeken uit. Paul verzorgde de illustraties en Ann schreef er de teksten onder. Grappig, kleurrijk en het kind op de huid geschreven.

MAKI:minimag I know a lot of things 1

Het meest aandoenlijk vind ik het bundeltje: ‘I know a lot of things’. Een waarheid als een koe. Als kind leer je er iedere dag weer tientallen begrippen bij en als je die aan het benoemen slaat, kan je niet anders dan trots zijn op hetgeen je geleerd hebt. Daarom is dit zo’n ijzersterk boek. Het zet het kind in de kwaliteit en dicht het kind letterlijk waarde toe. Het is het glas half vol. ‘Kijk eens, dit kan ik al’. Een beetje pochen mag best, als de wereld zich met elke stap vergroot.  Zo simpel is het om het geloof van een kind in zichzelf te sterken. Door het van jongsaf aan te leren waar het goed in is, zonder zich er op voor te laten staan. Anders wordt het een strijd, die zo mooi verwoord is in een oud lied, dat ik bij tijd en wijle nog altijd zing in de groep. ‘Alles wat jij kan kan ik lekker beter, alles wat jij kan, kan ik beter dan jou.’

De oorspronkelijke tekst komt uit ‘Annie Get Your Gun’ en heet oorspronkelijk  ‘Anything you can do’. Het is gecomponeerd door Irving Berlin in 1946 voor de Broadway Musical. Knoop er een filosofieles aan vast en je hebt een en ander weer in balans gebracht. Zo werkt dat. Je geeft iets aan, maar niet zonder dat weer binnen de kaders te plaatsen, anders mist het de juiste uitwerking.

Illustratie uit Sparkle and Spin.

De andere titels van de kinderboeken van het Amerikaanse duo spreken voor zich en zijn achtereenvolgens: Sparkle and Spin, Little 1 and Listen, Listen. Stuk voor stuk laten ze het kind groeien. Dat is waar de kiem van lezen wordt gelegd. Bij het onvolprezen kinderboek, die precies de vinger legt op de didact, de pedagoog, de filosoof, de denker, de technicus, de vormgever, de woordkunstenaar en de wetenschapper in het kind.

 

Letterlijk en figuurlijk!

Straks moet de auto naar de garage voor de keuring, daarna mag ik zelf naar de verpleegkundige voor bloed en bloeddruk. Worden we allebei binnenstebuiten gekeerd, wat fijn is als de ouderdomskwalen sneaky binnen komen sluipen. Ja pas op, want dat doen ze. Ongeveer eigenlijk al vanaf de overgang. De benaming ouderdom is dan ook fout. Het zijn de postovergangskwalen. Zo noem ik ze tegenwoordig. Als je er van uit gaat dat de gemiddelde mens van tegenwoordig zo’n beetje negentig wordt, dan vind ik dertig jaar ouderdom net een té lange periode om te vieren.

026Een oude meester in de prullenbak.

Ouderdom is voor mij als je oud en krakkemikkig bent, als je elk woord schreeuwend moet repliceren: Wat???, of als ze breed articulerend met een verhoogd aantal decibellen tegen je gaan praten. Oud worden is als ze je vloeibaar voedsel voor zouden zetten in een restaurant of bijvoorbaat stoelen en tafels aan de kant gaan schuiven als je er door moet. Oud worden is als je in een stoel gepoot wordt en elke nazaat moet opdraven om oma maar een kusje te geven. Als ze een glas onder je neus duwen om je gebit in te doen omdat eens even lekker schoon te maken. Daar ben ik voor mijn gevoel nog lang niet. Ik sta met twee benen in de jeugd van de ouderdom zal ik maar zeggen. Kom niet aan mijn eigen bedoeninkje want ik stort een tirade over je heen.

043

Gisteren had ik er nog een staaltje van: Ik moest de wasstraat door. Als je auto door de keuring moet, dan wil ik dat die mensen schoon en prettig kunnen werken. Dat vind ik zelf ook heel plezierig. Zoonlief zou helpen, daar had ik hem om gevraagd omdat dit zo’n lopende band is, waar je de auto met de rechter wielen in rijdt, die dan de auto in z’n vrij voortbeweegt. Daar word ik zenuwachtig van, merk ik. Ineens is de controle over de kleine blauwe weg en ben ik genoodzaakt me over te geven aan de Samaritanen en vind nergens barmhartigheid. Niets is zo slecht voor de zenuwen. Vlak voor ik er in schoof zei zoon dat ik vooraf moest pinnen. Help. Mijn tas met alle benodigdheden van de tuin, twee zware accu’s, alle schrijf en schetsboekjes had ik net achterin geplompt. Ik graaide hem van de achterbank en moest de inhoud over mijn zoon’s schoot uitstorten. Hij maakte maar een opmerking:  ‘Ik snap niet dat je zo kunt leven.’ Hé dat zijn normaal de oneliners voor verzuurde moeders hoor!

De auto is gewassen en gezogen, ik stap zo onder de douche, allebei lekker schoon en klaar voor de check-up. Toch wil ik pleiten voor een nieuwe fase tussen overgang en ouderdom. Ik kan nog heel lang mee en er zijn zelfs mensen die qua energie alle oudjes eruit leven. Er is die ene kranige als voorbeeld. Ze heet Roos, is 93 jaar en kunstschilder van beroep. Ze leeft haar heerlijke leven op haar eigen manier. Beweegt veel, fietst elke dag op de hometrainer en schildert nog altijd.  Een heerlijk voorbeeld van actief jong blijven, niets oud worden. Je bent zo jong als je je voelt. Roos is er een sprekend voorbeeld van. Die geraniums zet je maar lekker op je eigen balkon of in de tuin.

Zo en niet anders zou ik het willen. Voortrennen en rusten als het zo uitkomt, met een hutkoffer als tas of niet, met mijn eigenaardigheden, met mijn eigen invulling van dat waardige leven. Ouderdomskwaaltjes beginnen pas als je ziek bent. Het zijn de postovergangskwalen waar je de strijd nog mee aan moet binden of waar je een nieuwe manier van omgang voor moet faciliteren, zodat het geen gebrek is maar een nieuwe mogelijkheid! Ik ben onderweg, letterlijk en figuurlijk. Tot later!

En het roer ging om!

Soms heb ik het idee dat ik in golven het leven beleef. Er zijn momenten van literatuur, van drama, van dans, van muziek, van kunst. Een hartstochtelijk beleven en verdieping zoeken, altijd meer op de uitingsvormen gericht dan op de achterliggende beweging. Onder andere omdat je geraakt wordt door iets, of dat iets geraakt wordt door jou. Een interactie met je omgeving van dat moment. Deze stromingen wandelen naast elkaar en soms vloeien ze in elkaar over. Soms kan het gebeuren dat het een pas later verbonden blijkt aan het ander. Dat overkwam me gisteren. In een oogwenk, een split second, schoven de werelden van de literatuur en de kunst in elkaar. Dankzij het gemeentemuseum den Haag en hun grote overzichtstentoonstelling van de tachtigers: Rumoer in de stad.

094De koffiepiksters van Isaac Israëls

De jonge Breitner en Isaac Israëls als vaandeldragers voorop met hun blikken gericht op het straatleven, dat doodgewone straatleven. Met het klootjesvolk, de arbeiders en hun grauwe bestaan, met hun kleurrijke, romantisch ogende, maar toch zo’n bikkelharde werkelijkheid, naast dat heersende mondaine, de luxe, de feesten, de keerzijde van de medaille. Zij omarmden de oude stad in al haar facetten en zagen de schoonheid in dat, wat tot dan toe werd weggeschoven, het volk, de plebs, de armoe en daarmee het vermeende Onvermogen van de Riche met een hoofdletter. Het totaalbeeld van het stadse leven in de ware betekenis van het woord, het rumoer, voor eeuwig vastgelegd op het grote doek.

090 ‘De Waspit’ van Breitner

Jaren geleden, om precies te zijn, in de jaren tachtig, wat een heerlijke speling van een natuurlijk verloop, tijdens de opleiding MO-A Nederlands was de geschiedenis van de Nederlandse literatuur een belangrijk onderdeel. Het maakte veel los, want op alle fronten waren er raakvlakken te vinden, van Middelnederlandse teksten tot aan de moderne literatuur. Bij het werk van de impressionisten en naturalisten werd er langdurig stilgestaan. Wat een power en een kracht droeg het met zich mee. Geen gelatenheid, geen gezapigheid maar leven. Het bruiste tegen de klippen op en ook tegen de gevestigde orde.

Jacques Perk (door Herman van de Voort in de Betouw, 1879) Jacques Perk, het grote voorbeeld voor de tachtigers.

Literair-en maatschappij-kritische geluiden werden aangevoerd, onverbloemd en met verve. L’ Art pour L’ Art. Niet omdat de kerk het voorschreef of voor het algemene idee over de heersende esthetiek, maar omdat de  kunst op straat lag en te vinden was in elke vorm van leven. Multatuli had ik al in de jaren zestig in mijn hart gesloten net als Frederik van Eeden, maar Jacques Perk, Kloos, Gorter en Albert Verwey leerde ik destijds pas kennen in de jaren tachtig, precies honderd jaar later. Het moest zo zijn. Daarmee vielen een aantal zaken in de literatuur op hun plek.

110De drie bundels.

Ik wandelde gisteren door de zalen met schilderijen en genoot. Er lagen schetsboeken van de diverse schilders en ineens ontwaarde ik de drie eerste bundels van Kloos, Verwey en Gorter naast  een portret van Albert Verwey, geschilderd door Jan Veth. Op dat moment schoven de twee stromingen, literatuur en kunst, naadloos in elkaar. Tijdens de opleiding werden de tachtigers alleen maar vanuit de literatuur behandeld en, vice versa, in cursussen over de impressionisten werd het begrip ‘Tachtiger’ nooit genoemd. Thuis las ik, nee dronk ik, de feiten. Daar legde ik het laatste puzzelstuk, de tachtigers in de Muziek.

Waar het Albert Verwey betrof, stonden zij met hun voeten in dezelfde grond. Kunst is passie en dat heeft alles te maken met de rauwe werkelijkheid in de oude stad. Breitner en Israëls ten voeten uit. Maar ook Kloos, Verwey en Gorter. Van de laatste komt de uitspraak: ‘Dat wat je zintuiglijk doorleefde met uitschakeling van den geest onmiddellijk te verklanken’. Hetzij door Poëzie, proza, beeldende kunst maar te allen tijde onderstreept door muziek van Alphons Diepenbrock, Giacomo Puccini en Claude Debussy. Zij bereikten tezamen wat ze voor ogen hadden. Vernieuwing op alle fronten om de weg te openen naar de vrijheid, de passie van het leven. Het roer ging om!

 

Zijn beelden zeggen alles!

Het regende gisterochtend. Niet een klein miezertje, maar een flinke loodrechte regen uit een loodgrijze zware lucht. Gunstig voor het verdere verloop van die dag, omdat een buitenlocatie niet langer tot de opties behoorde. De mens wikt en de natuur beschikt. Dat maakt kiezen een stuk eenvoudiger.

Ergens in mijn achterhoofd zweefde een visie op de film Rodin van iemand die dat met ons deelde via twitter. Ze vond het aanbevelenswaardig als je bekend was met de meester en zijn leven, waarbij men niet uit het oog moest verliezen dat het vanuit Rodin zelf beschreven werd en niet vanuit Camille Claudel, zijn maitresse.  De meester in het ‘zonnetje’. Hoogste tijd om de film te gaan zien.

010

De verwachting was hooggespannen. Ik kende vooral het werk van zijn leerling en maitresse Camille Claudel en afgelopen winter was ik naar Groningen getogen om de indrukwekkende expositie te zien van Rodin. Die hakte er evenzeer in als de documentaires over Claudels leven en haar intrieste en schrijnende levensverhaal.

Ik was drie kwartier te vroeg en ik nestelde me met een lekker glas Chenet in het bijna lege café. Met mijn rug tegen de muur in de verste uithoek en het overzicht op alles wat er gebeurde. Het geroezemoes van de drukte buiten schoof door het openstaande bovenlicht naar binnen en af en toe onttrok zich een schrille uithaal of een schaterlach. In het café was een gezin bezig met op te breken. Het jongetje van ongeveer vier jaar oud, had, om de wachttijd te doden, een zangspelletje om de grote middentafel bedacht, waarbij hij dapper voort stapte met zijn gestippelde laarsjes aan en luid een Italiaans liedje zong. De kleine handen ribbelden intussen over de houten spijlen van de ruggen van de stoelen.

Iedere keer keek hij mij, vlak voor hij afboog voor het volgende rondje, met een ontwapenende glimlach aan. Moeder liet luid en duidelijk weten dat hij er mee moest stoppen, omdat ‘de mensen’er last van zouden hebben. Hij wist dat dat meeviel en er volgden nog twee rondjes. Die vrijheid en de blijdschap nam ik mee de stilte van de filmzaal in. Misschien was de tegenstelling te groot. Misschien was het nog te zonnig en licht buiten nu de regen was weggetrokken, maar de film viel als een granieten blok binnen en wikkelde zich, traag als stroop, af.

023

Ik zie Rodin als een gepassioneerd man, ik lees van zijn beelden af dat hij houdt van vormen, rondingen, billen, borsten, torso’s, naakten, maar ook is hij iemand die de subtiliteit en sereniteit niet schuwde, getuige zijn beelden van handen, tot in de finesses volmaakt en de beelden van de Chinese muze. Ik had hem de tijd willen zien verliezen als hij zijn passie vervulde met het hakken en vormen, het kneden en gipsen.

009

Ik had willen zien, hoe hij zich met zijn hele ziel en zaligheid zou storten op zijn schepping, waarbij hij alles om zich heen vergat. Het bleef angstvallig stil en traag, de dialogen en monologen, een vlakke Camille die haar bewondering voor de meester en het opboksen tegen zijn bekendheid en zijn dwingende karakter zonder dat de vonken ervan af spatten, neerzette. Het moet veel tragischer zijn geweest, dan wat ik nu zag.

022

Zijn gevecht om het beeld van Honoré de Balsac en Dantes Hellepoort bracht bij mij niets in beroering. Het bleef hangen in de plooien van de gipsen mantel, die hij om Honoré heen drapeerde, evenals de statische ontmoeting met zijn Chinese model, die dwaas en onvoorstelbaar wordt  neergezet en in niets overeenkomt met de lieflijkheid van haar beeltenis, die ik bewonderde in Groningen.

Buiten wandelde ik peinzend naar de auto, keek om me heen en zag het leven. Precies dat was wat ik had gemist in de film. Waarachig leven, zodat de toeschouwer het meebeleven kon. Rodin, als je hem wilt leren kennen, moet je naar een tentoonstelling van zijn oeuvre. Zijn beelden zeggen me alles, de Rodin van de film vertelt me niets.

Vooralsnog ongrijpbaar!

Ik weet niet waar ik toevallig mijn oog liet vallen op de documentaire ‘Waterlijken’ , een bejubeld debuut van Nelleke Koops uit 2011, maar die kwam behoorlijk binnen. Alleen de titel al vraagt om een verklaring. Het kunnen dode vissen zijn en dode eenden, het zou over botulisme kunnen gaan, maar het gaat over ons, mensen. Natuurlijk weet iedereen wel, dat er bij tijd en wijle iemand wordt opgevist. Vaak vergeten we dat dat door mensenhanden moet gebeuren en dat een heel apparaat daarachter in werking treedt bij de vondst van zo’n ongelukkige. We gaan gemakshalve ook voorbij aan het feit, dat de gebeurtenissen daarna weer worden vervangen door de taal van alledag. De maaltijd, het gezin, het spelen met de kinderen, maar ergens spookt in het achterhoofd altijd het lijk, de geur, de sponzige huid, de verwassen haren.

 Rodin: De denker. ( Wiki)

De documentaire is boeiend en triest tegelijk. Zo’n voltooid leven dat nog niet af is, ook al is het doek definitief gevallen. Het roept bewondering op voor de bergers en de schouwers, de speurders naar de eeuwige waaromvraag met het onvermijdelijke antwoord verstopt in de locatie, het al dan niet geschonden lichaam, de identificatie, de meanderende rivier en die patholoog, die een diepzinnige filosofie in een paar woorden verfijnd neerlegt. Waar gaan gedachten naar toe, als je overleden bent.

Daar peinst hij dus over, als de klus is geklaard en er weer een mens op de baar ligt na een minutieus totaalonderzoek, maar altijd dat ene ongrijpbare. Waar zijn zijn of haar gedachten heen. Vroeger dacht ik dat ze weg konden vliegen in de wind, als vogels in een vrije val, omhoog stijgend en neerduikend en wederom omhoog. Werken met de dood roept dit soort vragen op. Ik weet het want ik heb die man met de zeis regelmatig zien rondwaren om de bedden heen en zelfs gevoeld. Een koude windvlaag die optrok.

 Gravure door Reinier van Persijn: Zwanenzang (Wiki)

Altijd is er een kleine opleving van een stervende, een oprichten, een blik, die helder is en klaar, vanuit de lethargie van het berusten, om na een paar seconden maar, weer terug te vallen in de status quo en niet lang daarna de laatste adem uit te blazen.  Een zwanenzang. Dat maakt dat je aan het peinzen slaat over waar de geest heen is. Omdat er lijntjes zijn, of omdat je die er zo graag in zou willen zien. Omdat je van te voren al niet kan accepteren dat iets afgelopen is als met die oorverdovende stilte het doek valt en met een zucht de ademhaling stopt. Einde verhaal, geen volgend hoofdstuk meer.

https://www.2doc.nl/documentaires/series/2doc/2014/februari/waterlijken.html

Definitiever haast, omdat je de persoon in kwestie niet meer in leven hebt meegemaakt, is het werk van de patholoog-anatoom, die elke vezel van het lijf angstvallig naspeurt op oneffenheden, die het stoffelijke benadrukken zal. Hij kent de corpus van de hoed en de rand, elke cel en elke molecule en toch is er die ongrijpbare andere wereld. Gedachten, die boven adrenaline en endorfine uitstijgen, die amorf en licht zijn, zonder body.

Waar is het karakter heen, de spirit. Is de levensbagage voldoende doorgegeven of ligt ze op straat, letterlijk en figuurlijk. In het uur van de dood vraagt het om waarachtigheid, antwoorden op vragen die blijven hangen in de geloken ogen en boven de baar. ‘De dood is altijd op tijd’, orakelt men en refereert aan de Tuinman en zijn ontmoeting met de Dood in Isfahan.

Als robots in staat zijn om een eigen taal te ontwikkelen, dan moeten gedachten ook hun eigen weg kunnen gaan. De patholoog-anatoom peinst zijn eigen gedachten, die van het waterlijk zijn verdwenen. Waar gaan ze naar toe. Er moet meer zijn dan de metelijke en onmetelijke stoffen en stofjes, waar hij in roert. Het is de identiteit van de geest, een entiteit van het leven, de blauwdruk van de gedachten, maar vooralsnog ongrijpbaar.